Home / Nieuws, Trends & Actualiteiten / Het verplichte toelatingsstelsel en de private inspectie-instelling: de één kan niet zonder de ander

Het verplichte toelatingsstelsel en de private inspectie-instelling: de één kan niet zonder de ander

Patrick Tom viert met Bureau Cicero het twintigjarig bestaan. Tegelijk staat de snelgroeiende inspectie-instelling voor een grote uitdaging: het toelatingsstelsel (Wtta). Samen met Aart van der Gaag blikt hij terug op twee decennia controlebeleid en vooruit op de voorwaarden voor een succesvolle publiek-private samenwerking.

Aart van der Gaag (1949) is voor velen het geheugen, misschien wel het geweten, van de flexbranche. De sociaal bewogen econoom leidde grote uitzendorganisaties zoals Start (nu RGF Staffing) en Vedior (nu Randstad), is oud-bestuursvoorzitter van de ABU en was jarenlang het gezicht van het 100.000- (inmiddels 125.000-) banenproject. Zijn carrière sloot hij af als auteur van het boek Zonder werk vaart niemand wel, dat in de zomer van 2025 verscheen. 

Maar echt weg uit de uitzendsector is hij niet. Daarvoor gaat het uitzendwerk hem te veel aan het hart. “De intrinsieke motivatie van veel uitzendondernemers en intercedenten is mensen aan goed werk te helpen. Uitzenden is de smeerolie op de arbeidsmarkt, zonder uitzenden loopt de motor vast. Geen andere sector staat voor zoveel transities, ook bij het terugbrengen vanuit de WW en Wet Werk en Bijstand (WWB) is uitzenden de belangrijkste factor. Doelgroepen hebben veel minder kansen als uitzenden te strak wordt gereguleerd, je moet het kind niet met het badwater willen weggooien.”

Gevaar voor waterbedeffect

De toenemende regeldruk, strengere wetgeving en nieuwe cao maken het er voor uitzenders niet gemakkelijker op. Maar Van der Gaag gelooft dat door een heldere publiek-private samenwerking een gezonde, goed gereguleerde uitzendbranche wel degelijk mogelijk blijft. Wel ziet hij met lede ogen aan dat de vroegere consensus in de polder plaatsmaakt voor polarisatie. Dat geldt niet alleen voor de vakbonden die lijnrecht tegenover de werkgeversorganisaties staan – FNV en CNV zijn woedend over het feit dat de ABU en NBBU het akkoord voor een uitzend-cao hebben gesloten met alleen de kleinere bond LBV – maar ook in de politiek, die de media volgt. 

“Je ziet dat er direct kamervragen komen als misstanden met uitzendkrachten in het nieuws komen. Misstanden aanpakken is goed, maar doe dat met beleid, niet ad hoc.” Om te waken voor symptoombestrijding moet men in Den Haag niet in dezelfde valkuilen stappen als eerder is gedaan. In Den Haag ziet men vaak niet dat uitzenden nog geen tien procent van het flexwerk representeert. Men focust er op omdat het grijpbaar is. Maar je moet oppassen voor het waterbedeffect; je drukt ergens op en ergens anders duikt een slechter gereguleerde vorm van flex op.”

Dat gevaar is groter als men de geschiedenis van flex en de uitzendbranche niet meer kent. “Mensen op ministeries rouleren elke vier jaar. Op mijn opmerking dat er dan geen kennis en expertise meer in huis is, kreeg ik het antwoord: ‘Maar Aart, jij bent toch ons geheugen?!’ Dat is natuurlijk kwalijk, want als je de geschiedenis niet kent, weet je ook niet hoe de toekomst wordt.”

Van SNA naar Wtta, waar blijft de handhaving? 

Lees het hele interview op Flexnieuws.

Bron: Flexnieuws.nl

Plaats een bericht