Eerste Kamer akkoord met wet meer zekerheid voor flexwerkers

Dinsdag 7 juli 2026 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de wet ‘meer zekerheid voor flexwerkers’ van minister Vijlbrief van SZW. Per 1 januari 2028 krijgen werknemers met een flexibel arbeidscontract meer zekerheid over hun inkomen en hun werktijd. In Nederland heeft 3 op 10 medewerkers en onzeker flexcontract. Daarmee heeft ons land het hoogste aandeel flexwerkers van Europa. Door deze wet komen er strengere regels om draaideurconstructies met tijdelijke contracten te voorkomen. Daarnaast worden oproepcontracten vervangen door contracten met een vast minimumaantal uren, waarvoor zij standaard worden betaald en ingeroosterd.
Minister Hans Vijlbrief: “Werk moet mensen zekerheid bieden. Over het aantal uren dat ze moeten werken en over hoe hoog hun inkomen is. Dat geeft een stabiele basis om plannen te maken en jezelf te ontwikkelen. Met dit wetsvoorstel pakken we de misstanden aan. Het uitgangspunt moet zijn dat bij structureel werk ook een structurele en vaste arbeidsrelatie hoort. En flexibele contracten blijven natuurlijk mogelijk, voor bijvoorbeeld het oppakken van tijdelijke klussen, het vervangen van zieke werknemers of als opstapje voor jongeren. Ik ben ontzettend blij dat dit wetsvoorstel niet alleen kan rekenen op de steun van werkgevers en de vakbonden, maar ook op een brede meerderheid in beide Kamers.”
Strengere regels draaideurconstructies
Het uitgangspunt van deze wet wordt dat tijdelijke contracten alleen nog bedoeld zijn voor tijdelijk werk. Na drie tijdelijke contracten mag een werkgever gedurende drie jaar geen nieuw tijdelijk contract afsluiten met dezelfde werknemer. Nu is die onderbreking nog slechts zes maanden. Door deze wijziging wordt vrijwel een einde gemaakt aan draaideurconstructies met tijdelijke contracten.
Oproepcontracten
Nulurencontracten worden vervangen door een bandbreedtecontract. In zo’n contract worden een minimum- en maximumaantal uren afgesproken, waarbij het verschil tussen beide maximaal 30% mag bedragen. Bij een minimum van 10 uur mag het maximum dus niet hoger zijn dan 13 uur.
Wordt een werknemers opgeroepen voor meer uren dan het afgesproken maximum, dan mag de werknemer die extra uren weigeren. En als er structureel meer wordt gewerkt moet er een contract worden aangeboden met een hoger aantal uren.
Wel kent de wet een uitzondering voor bijbanen van mensen die een ander hoofdactiviteit hebben, zoals AOW-gerechtigden, scholieren en studenten.
Uitzendkrachten
Uitzendkrachten moeten straks minimaal gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden krijgen als werknemers die rechtstreeks in dienst zijn. Dit volgde voor beloning al uit een uitspraak van het Europees Hof van Justitie, en wordt nu voor alle arbeidsvoorwaarden vastgelegd in de Nederlandse wet. Dit onderdeel treedt eerder in werking, op 31 december 2026. Ook worden de meest onzekere fases van uitzendwerk verkort. En tot slot krijgt de minister de mogelijkheid om in te grijpen als er sprake is van structurele onderbetaling in de uitzendsector.
Dit wetsvoorstel maakt, samen met enkele andere wetsvoorstellen, deel uit van een hervorming van de Nederlandse arbeidsmarkt. Deze wetsvoorstellen zorgen voor meer zekerheid voor werknemers en meer wendbaarheid voor ondernemers.
Het is het tweede wetsvoorstel uit het arbeidsmarktpakket dat is aangenomen. Eerder is de wet invoering rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief aangenomen. Deze wetsvoorstellen vloeien voort uit afspraken die het kabinet in 2023 heeft gemaakt met vakbonden en werkgevers. Deze zijn gebaseerd op het rapport van de commissie Borstlap uit 2020 en het SER-advies uit 2021.
Bron: Rijksoverheid.nl